Jaarrekening 2018

Balans

Balans per 31 december 2018

(na resultaatbestemming, bedragen x € 1.000,-)

Balans per 31 december 2018
1 Activa 31-12-18   31-12-17  
Ref.          
           
  Vaste activa        
1.1 Immateriële vaste activa 2.960   4.162  
1.2 Materiële vaste activa 134.082   128.515  
1.3 Financiële vaste activa 281   338  
           
  Totaal vaste activa   137.324   133.015
           
           
  Vlottende activa        
1.4 Voorraden 427   387  
1.5 Vorderingen 5.259   9.202  
1.6 Liquide middelen 51.855   36.424  
           
  Totaal vlottende activa   57.541   46.013
           
           
  TOTAAL ACTIVA   194.865   179.028

2 Passiva 31-12-18   31-12-17  
Ref.          
           
2.1 Eigen vermogen   67.481   65.724
           
2.2 Voorzieningen   7.800   5.699
2.3 Langlopende schulden   55.000   48.000
2.4 Onderhanden werk   7.651   3.889
2.5 Kortlopende schulden   56.931   55.715
           
           
  TOTAAL PASSIVA   194.865   179.028

Staat van baten en lasten

Baten en lasten 1 januari 2018 - 31 december 2018

(bedragen x € 1.000,-)

Baten en lasten 1 januari 2018 - 31 december 2018
    2018   Begroting 2018   2017  
Ref.              
               
3 Baten            
3.1 Rijksbijdragen OCW 195.095   186.383   178.733  
3.2 Collegegelden 56.111   57.749   55.712  
3.3 Baten werk i.o.v. derden 5.109   3.554   4.963  
3.4 Overige baten 19.644   15.540   18.718  
               
  Totaal baten   275.958   263.226   258.126
               
               
4 Lasten            
4.1 Personele lasten 208.367   200.574   199.539  
4.2 Afschrijvingen 19.472   18.624   16.735  
4.3 Huisvestingslasten 16.229   14.656   16.137  
4.4 Overige lasten 29.005   30.105   28.091  
               
  Totaal lasten   273.073   263.959   260.502
               
  Saldo baten en lasten   2.885   ‑733   ‑2.376
               
               
5 Financiële baten en lasten            
5.1 Financiële baten 8   0   14  
5.2 Financiële lasten ‑1.135   ‑1.268   ‑979  
               
  Totaal financiële baten en lasten   ‑1.128   ‑1.268   ‑965
               
               
  RESULTAAT   1.757   ‑2.001   ‑3.341

Kasstroomoverzicht

(bedragen x € 1.000,-)

    2018   2017  
Ref.          
           
  Kasstroom uit operationele activiteiten        
  Resultaat uit gewone bedrijfsvoering   1.757   ‑3.341
           
  Aanpassingen voor:        
4.2 - Afschrijvingen 19.472   16.735  
4.2 - Boekresultaat desinvestering MVA ‑1.770   ‑118  
2.2 - Mutaties voorzieningen 2.101   570  
           
      19.803   17.187
           
  Veranderingen in werkkapitaal:        
1.4 - Voorraden ‑40   ‑355  
1.5 - Vorderingen 3.942   ‑2.681  
2.4 - Onderhanden werk 3.762   356  
2.5 - Kortlopende schulden (excl.intrest) 2.136   754  
           
      9.801   ‑1.926
           
  Totaal kasstroom uit bedrijfsoperaties   31.362   11.920
           
           
5.1 Betaalde intrest ‑920   ‑601  
           
           
  Totaal kasstroom uit operationele activiteiten   30.442   11.319
           
  Kasstroom uit investeringsactiviteiten        
1.1 Investeringen in immateriële vaste activa ‑107   ‑999  
1.1 Desinvesteringen in immateriële vaste activa 38   105  
1.2 Investeringen in materiële vaste activa ‑23.733   ‑14.106  
1.2 Desinvesteringen in materiële vaste activa 1.734   15  
           
           
  Totaal kasstroom uit investeringsactiviteiten   ‑22.068   ‑14.985
           
  Kasstroom uit financieringsactiviteiten        
1.3 Aflossing op leningen u/g 57   57  
2.3 Aangegane langlopende leningen 7.000   25.000  
           
  Totaal kasstroom uit financieringsactiviteiten   7.057   25.057
           
           
  MUTATIE GELDMIDDELEN   15.431   21.391

Toelichting algemeen

De instelling, gevestigd te Groningen, Zernikeplein 1, is een stichting en is ingeschreven in het handelsregister onder nummer 41012703. Deze jaarrekening heeft betrekking op het kalenderjaar 2018, dat is geëindigd op balansdatum 31 december 2018. Deze jaarrekening is opgesteld uitgaande van de continuïteitsveronderstelling.

Activiteiten

De activiteiten van de instelling bestaan voornamelijk uit dienstverlening op het gebied van onderwijs.

Consolidatie

Indien de hogeschool een kapitaal- en/of organisatiebelang heeft in rechtspersonen én waar bovendien sprake is van een materieel financieel belang worden deze opgenomen in het eigen vermogen van de Hanzehogeschool Groningen. Er is hierbij dan geen sprake van integrale consolidatie maar van het activeren van een vordering op verbonden partijen en het crediteren van het eigen vermogen van die partijen ten gunste, eventueel ten laste, van het eigen vermogen van de Hanzehogeschool Groningen. Op balansdatum heeft de Hanzehogeschool geen belangen met een materieel financieel belang.

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht bestaan uit de liquide middelen. Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten. Mutaties in vreemde valuta worden omgerekend tegen de op dat moment geldende wisselkoersen. Onder de investeringen in immateriële- en materiële vaste activa zijn alleen opgenomen de investeringen waarvoor geldmiddelen zijn opgeofferd. De aflossingen op de financiële vaste activa zijn hierop in mindering gebracht.

Schattingen

Om de grondslagen en regels voor het opstellen van de jaarrekening te kunnen toepassen, is het nodig dat het bestuur van de Hanzehogeschool Groningen zich over verschillende zaken een oordeel vormt, en dat het bestuur schattingen maakt die essentieel kunnen zijn voor de in de jaarrekening opgenomen bedragen.

De daadwerkelijke uitkomsten kunnen afwijken van deze schattingen. De schattingen en onderliggende veronderstellingen worden voortdurend beoordeeld. Herzieningen van schattingen worden opgenomen in de periode waarin de schatting wordt herzien en in toekomstige perioden waarvoor de herziening gevolgen heeft.
De volgende waarderingsgrondslagen zijn naar de mening van het management het meest kritisch voor het weergeven van de financiële positie en vereisen schattingen en veronderstellingen:

  • personeelsvoorzieningen
  • voorziening dubieuze debiteuren

Rapporteringsvaluta

Alle in dit financiële verslag vermelde bedragen zijn genoteerd in euro’s. Daar waar afkortingen gebruikt worden van K€ en M€ wordt bedoeld € x 1.000 respectievelijk € x 1.000.000.

Vergelijkende cijfers

De cijfers over het vorig kalenderjaar zijn, indien en voor zover dat uit hoofde van transparantie wenselijk en noodzakelijk werd geacht, opnieuw gerubriceerd om vergelijkbaarheid mogelijk te maken.

Transacties in vreemde valuta’s

Transacties luidend in vreemde valuta’s worden in euro's  omgerekend tegen de geldende wisselkoers op de transactiedatum. Valutakoersverschillen worden verwerkt in de staat van baten en lasten in de periode dat zij zich voordoen.

Financiële instrumenten

De Hanzehogeschool Groningen maakt gebruik van uiteenlopende financiële instrumenten die de organisatie blootstelt aan markt-, rente-, kasstroom-, krediet- en liquiditeitsrisico. Om deze risico’s te beheersen heeft de organisatie een beleid inclusief een stelsel van limieten en procedures opgesteld om de risico’s van onvoorspelbare ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten en daarmee de financiële prestaties van de organisatie te beperken. De organisatie zet geen afgeleide financiële instrumenten in om risico’s te beheersen en maakt geen gebruik van derivaten.

Kredietrisico
De vorderingen uit hoofde van debiteuren zijn getoetst op inbaarheid en voor zover nodig geacht voorzien.  Voor de kredietrisico’s inzake de overige vorderingen wordt verwezen naar financiële vaste activa en vorderingen.

Het renterisico is beperkt tot eventuele veranderingen in de marktwaarde van opgenomen en uitgegeven leningen. Bij deze leningen is sprake van een vast rentepercentage over de gehele looptijd. De leningen worden aangehouden tot het einde van de looptijd. De organisatie heeft derhalve als beleid om geen afgeleide financiële instrumenten te gebruiken om (tussentijdse) rentefluctuaties te beheersen.

De organisatie loopt geen significante liquiditeitsrisico’s.

Saldering van financiële instrumenten: Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als de stichting beschikt over een deugdelijk juridisch instrument om het financiële actief en de financiële verplichting gesaldeerd af te wikkelen en de stichting het stellige voornemen heeft om het saldo als zodanig netto of simultaan af te wikkelen.

Transacties met verbonden partijen

Van transacties met verbonden partijen is sprake wanneer een relatie bestaat tussen de stichting en een natuurlijk persoon of entiteit die verbonden is met de stichting. Dit betreffen onder meer de relaties tussen de stichting en haar deelnemingen, de aandeelhouders, de bestuurders en de functionarissen op sleutelposities. Onder transacties wordt verstaan een overdracht van middelen, diensten of verplichtingen, ongeacht of er een bedrag in rekening is gebracht.

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Algemeen

De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de stellige uitspraken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, die uitgegeven is door de Raad voor de Jaarverslaggeving. Deze bepalingen zijn van toepassing op grond van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (WJZ/2007/50507) (RJ660).

Activa en passiva worden tegen nominale waarde opgenomen, tenzij anders vermeld in de verdere grondslagen.
Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige economische voordelen naar de stichting zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen die economische voordelen in zich bergen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een in de balans opgenomen actief of verplichting blijft op de balans als een transactie (met betrekking tot het actief of de verplichting) niet leidt tot een belangrijke verandering in de economische realiteit met betrekking tot het actief of de verplichting. Een actief of verplichting wordt niet langer in de balans opgenomen indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle rechten op economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot het actief of de verplichting aan een derde zijn overgedragen.

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld. Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld. De opbrengsten en kosten worden toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben.

In de balans en de staat van baten en lasten zijn referenties opgenomen. Met deze referenties wordt verwezen naar de toelichting.

Vergelijking met voorgaand jaar

De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar en volgen de per 1 januari 2008 ingevoerde Regeling Jaarverslaggeving onderwijs.

Immateriële vaste activa

Immateriële vaste activa worden in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige voordelen die dat actief in zich bergt, zullen toekomen aan de Hanzehogeschool en de kosten van dat actief betrouwbaar kunnen  worden vastgesteld.
De immateriële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs, verminderd met cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen. De uitgaven na eerste verwerking van een gekocht of zelf vervaardigd immaterieel vast actief worden toegevoegd aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs als het waarschijnlijk is dat de uitgaven zullen leiden tot een toename van de verwachte toekomstige economische voordelen en de uitgaven en de toerekening aan het actief op betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor activering worden de uitgaven verantwoord als kosten in de winst-en-verliesrekening.
De grondslagen voor de vaststelling en verwerking van bijzondere waardeverminderingen zijn opgenomen onder Materiële Vaste Activa.

Ontwikkelingskosten
Ontwikkelingskosten worden geactiveerd voor zover deze betrekking hebben op commercieel haalbaar geachte projecten. De ontwikkeling van een immaterieel vast actief wordt commercieel haalbaar geacht als het technisch uitvoerbaar is om het actief te voltooien, de onderneming de intentie heeft om het actief te voltooien en het vervolgens te gebruiken of te verkopen is (inclusief het beschikbaar zijn van adequate technische, financiële en andere middelen om dit te bewerkstelligen), de onderneming het vermogen heeft om het actief te gebruiken of te verkopen, het waarschijnlijk toekomstige economische voordelen zal genereren en de uitgaven gedurende de ontwikkeling betrouwbaar zijn vast te stellen.
Ontwikkelingskosten worden gewaardeerd tegen vervaardigingsprijs, verminderd met cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen. De vervaardigingsprijs omvat voornamelijk de salariskosten van het betrokken personeel; de geactiveerde kosten worden na beëindiging van de ontwikkelingsfase (actief gereed voor ingebruikname) afgeschreven over de verwachte gebruiksduur.
De afschrijving vindt plaats volgens de lineaire methode. De kosten voor onderzoek en de overige kosten voor ontwikkeling worden ten laste van het resultaat gebracht in de periode waarin deze zijn gemaakt.
De gehanteerde categorieën zijn (samen met de afschrijvingstermijnen en –percentages): 

  • Ontwikkelingskosten (website) 3-5 jaar (33,3% - 20%)
  • Software 3-5 jaar (33,3% - 20%)

Materiële vaste activa

De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs plus bijkomende kosten (om de activa op hun plaats of in de staat te krijgen noodzakelijk voor het beoogde gebruik) of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen. Op terreinen wordt niet afgeschreven. De afschrijvingen worden berekend als een percentage over de aanschaffingsprijs volgens de lineaire methode op basis van de economische levensduur, rekening houdend met de eventuele restwaarde. Afschrijving start op het moment dat een actief beschikbaar is voor het beoogde gebruik en wordt beëindigd bij buitengebruikstelling of bij desinvestering. Afboekingen door verkoop, buitengebruikstelling of tenietgaan worden afzonderlijk vermeld.

Onderhoudsuitgaven worden geactiveerd onder toepassing van de componentenmethode. Slechts wanneer sprake is van klein onderhoud worden deze uitgaven ten laste van het resultaat gebracht. 

Buiten gebruik gestelde activa worden gewaardeerd tegen boekwaarde of lagere opbrengstwaarde.

Voor materiële vaste activa wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er aanwijzingen zijn dat deze activa onderhevig zijn aan bijzondere waardeverminderingen. Als dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief geschat. De realiseerbare waarde is de hoogste van de bedrijfswaarde en de opbrengstwaarde.

Wanneer de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde, wordt een bijzonder waardeverminderingsverlies verantwoord voor het verschil tussen de boekwaarde en de realiseerbare waarde. Verder wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er enige indicatie is dat een in eerdere jaren verantwoord bijzonder waardeverminderingsverlies is verminderd. Als een dergelijke indicatie aanwezig is, wordt de realiseerbare waarde van het betreffende actief geschat. Terugneming van een eerder verantwoord bijzonder waardeverminderingsverlies vindt alleen plaats als sprake is van een wijziging van de gehanteerde schattingen bij het bepalen van de realiseerbare waarde sinds de verantwoording van het laatste bijzonder waardeverminderingsverlies. In dat geval wordt de boekwaarde van het actief opgehoogd tot de geschatte realiseerbare waarde, maar niet hoger dan de boekwaarde die bepaald zou zijn (na afschrijvingen) als in voorgaande jaren geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief zou zijn verantwoord.

Onderstaande afschrijvingstermijnen worden als uitgangspunt gehanteerd, op basis van incidentele afwijkende inschatting van levensduur kan deze worden aangepast. De gehanteerde categorieën zijn (samen met de afschrijvingstermijnen en –percentages):

  • Gebouwen Casco/Afbouw 30 jaar (3,3%)
  • Gebouwen: inbouw 15 jaar (6,7%)
  • Gebouwen: investering in huurpanden 10 jaar (10,0%) of kortere huurtermijn
  • Sportterreinvoorzieningen 10 jaar (10,0%)
  • Overige terreinvoorzieningen 15-30 jaar (3,3%-6,7%)
  • Bouwkundige voorzieningen en installaties 15 jaar (6,7%)
  • Meubilair (inventaris) 7-12 jaar (8,3%-14,3%)
  • Computerapparatuur 3-4 jaar (33,3%-25,0%)
  • Audiovisuele apparatuur 4 jaar (25,0%)
  • Medische apparatuur 10 jaar (10,0%)
  • Industriële apparatuur 15 jaar (6,7%)
  • Overige apparatuur 7 jaar (14,3%)
  • Technische installaties ICT  7 jaar (14,3%)
  • Technische installaties overig 15 jaar (6,7%)
  • Transportmiddelen 7 jaar (14,3%)

Ontvangen subsidies die betrekking hebben op investeringen (materiële vaste activa) worden in mindering gebracht op de materiële vaste activa.

Financiële vaste activa

Leningen u/g
Leningen worden verstrekt op basis van overeenkomsten waarin is vastgelegd op welke termijn de lening wordt afgelost, tegen welk rentepercentage geleend wordt en indien van toepassing, welke zekerheden er zijn verstrekt.
De onder financiële vaste activa opgenomen vorderingen worden initieel gewaardeerd tegen de reële waarde onder aftrek van transactiekosten (indien materieel). Vervolgens worden deze vorderingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs.

Een financieel actief dat niet wordt gewaardeerd tegen (1) reële waarde met waardewijzigingen in de staat van baten en lasten of (2) geamortiseerde kostprijs of lagere marktwaarde, wordt op iedere verslagdatum beoordeeld om te bepalen of er objectieve aanwijzingen bestaan dat het actief een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan. Een financieel actief wordt geacht onderhevig te zijn aan een bijzondere waardevermindering indien er objectieve aanwijzingen zijn dat na de eerste opname van het actief zich een gebeurtenis heeft voorgedaan die een negatief effect heeft op de verwachte toekomstige kasstromen van dat actief en waarvan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt. Objectieve aanwijzingen dat financiële activa onderhevig zijn aan een bijzondere waardevermindering omvatten bijvoorbeeld het niet nakomen van betalingsverplichtingen en achterstallige betalingen door een debiteur en aanwijzingen dat een debiteur failliet zal gaan.

Voorraden

Voorraden worden gewaardeerd tegen kostprijs of lagere opbrengstwaarde. De kostprijs bestaat uit de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, vermeerderd met overige kosten om de voorraden op hun huidige plaats en in hun huidige staat te brengen. De opbrengstwaarde is gebaseerd op de meest betrouwbare schatting van het bedrag dat de voorraden maximaal zullen opbrengen, onder aftrek van nog te maken kosten.
Voorraden worden gewaardeerd met toepassing van de ‘first-in, first-out’ (Fifo)-methode.

Onderhanden werk

De post Onderhanden werk i.o.v. derden bestaat uit het saldo van gerealiseerde projectkosten en reeds gedelareerde termijnen en/of ontvangen subsidies. Onderhanden projecten waarvan de gerealiseerde opbrengsten hoger zijn dan de gerealiseerde projectkosten worden opgenomen onder de kortlopende schulden, indien de projectkosten lager zijn dan de opbrengsten worden de betreffende onderhanden projecten onder de vorderingen op de balans opgenomen. Op totaalniveau worden per balansdatum de vorderingen en schulden gesaldeerd opgenomen.

In de waardering van onderhanden projecten worden de kosten die direct betrekking hebben op het project (zoals personeelskosten voor werknemers direct werkzaam aan het project, de kosten die toerekenbaar zijn aan projectactiviteiten in het algemeen en toewijsbaar zijn aan het project en andere kosten die vanuit de (subsidie-) overeenkomst aan de opdrachtgever kunnen worden toegerekend, begrepen.

Verwerking van de projectkosten in de staat van baten en lasten vindt plaats als de prestaties in het project worden geleverd en zijn gerealiseerd. Verwachte verliezen op onderhanden projecten worden onmiddellijk in de staat van baten en lasten verwerkt. Het bedrag van het verlies wordt bepaald ongeacht of het project reeds is aangevangen, het stadium van realisatie van het project of het bedrag aan bate dat wordt verwacht op andere, niet gerelateerde projecten.

Vorderingen

Vorderingen worden bij eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieverentemethode, verminderd met bijzondere waardeverminderingsverliezen. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering.
De looptijd van de vorderingen is < 1 jaar.

Vorderingen waartegenover ook een schuld staat in de vorm van vooruitontvangen bedragen, zijn gesaldeerd opgenomen in de balans voor zover toegestaan.

Liquide middelen

Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en direct opeisbare deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. Indien liquide middelen niet ter vrije beschikking staan, wordt hiermee rekening gehouden bij de waardering.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van de Hanzehogeschool Groningen is opgebouwd uit de in het verleden behaalde resultaten. Andere mutaties in het eigen vermogen komen tot stand door stelselwijzigingen of door het opnemen van verbonden partijen. Het eigen vermogen bestaat uit algemene reserves en bestemmingsreserves en/of -fondsen. Hierin is tevens een segmentatie opgenomen naar publieke en private middelen.

De bestemmingsreserves zijn reserves met een beperktere bestedingsmogelijkheid, welke door het bestuur is aangebracht. De bestemmingsfondsen zijn reserves met een beperktere bestedingsmogelijkheid, welke door derden zijn aangebracht.
 
Het resultaat van het verslagjaar op het initieel onderwijs wordt toegevoegd aan de algemene reserve. Is een deel van het resultaat tot stand gekomen door activiteiten in projectvorm die nog niet zijn afgerond, dan wordt dat deel overgeheveld naar de bestemde reserve Projecten.

Voor een verdere toelichting op het vermogen wordt verwezen naar de toelichting op de balans.

Voorzieningen

Algemeen
Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op de balansdatum bestaan als gevolg van een gebeurtenis uit het verleden, waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is te schatten. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld.

Voorzieningen wachtgeld
Voor zowel het wettelijke als het bovenwettelijke deel van de wachtgeldregeling is per balansdatum een voorziening getroffen. Deze voorzieningen zijn bepaald op basis van opgaven van de uitvoeringsinstellingen, rekening houdend met deelnamekans.

Voorziening jubilea
De voorziening jubilea wordt opgenomen voor verwachte lasten gedurende het dienstverband van de werknemers. Hierbij is rekening gehouden met indexatie, blijf- en deelnamekans en verdiscontering.

Voorziening WGA-WIA
Ter dekking van toekomstige lasten ingevolge de wet integratie gedeeltelijk arbeidsgeschikten is een voorziening opgenomen. De voorziening is bepaald op basis van het ziekenbestand en verdisconteerd.

Voorziening DI-WS
Ter dekking van toekomstige lasten ingevolge de vanuit de cao toepasbare regelingen rondom duurzame inzetbaarheid en werktijdvermindering senioren is een voorziening opgenomen. De voorziening is bepaald op basis van historische deelname en deelnamekans.

Langlopende schulden

Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de langlopende schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Langlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten.

Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt op basis van de effectieve rente gedurende de geschatte looptijd van de schulden in de staat van baten en lasten als interestlast verwerkt.

Kortlopende schulden

Onder kortlopende schulden zijn de bedragen ondergebracht die nog betrekking hebben op het verslagjaar maar op balansdatum nog niet zijn betaald en bedragen die zijn ontvangen in of voor het verslagjaar en aan opvolgende jaren moeten worden toegekend.
Kortlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Kortlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Dit is meestal de nominale waarde.

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Algemeen

Het saldo van de baten en lasten is tot stand gekomen met inachtneming van de volgende beginselen:

  • Toerekeningsbeginsel: baten en lasten worden toegerekend aan dat jaar waar ze betrekking op hebben, hierbij wordt ervan uitgegaan dat onderwijstaken gelijkmatig over het jaar zijn verdeeld.
  • Realisatiebeginsel: winsten worden genomen voor zover zij in het verslagjaar zijn gerealiseerd.
  • Voorzichtigheidsbeginsel: verliezen of risico’s worden opgenomen voor zover zij bekend zijn geworden vóór het opmaken van de jaarrekening.

Begroting

De Hanzehogeschool Groningen werkt met een planning- en controlcyclus op studiejaar en daarmee ook met een begroting op studiejaar. Ten behoeve van de kalenderjaarrekening wordt middels een rekenkundige exercitie een begroting samengesteld uit de op dat moment van toepassing zijnde twee studiejaarbegrotingen.

Baten

Rijksbijdragen OCW
De baten die in een verslagjaar zijn ontvangen van het ministerie van OCW worden in totaliteit verantwoord en zijn gebaseerd op de meest recent verschenen rijksbijdragebrieven. De rijksbijdragebrief van december is feitelijk de definitieve toekenning over een kalenderjaar. Eventuele mutaties op de rijksbijdrage worden toegerekend aan het betreffende kalenderjaar en werken volledig door in de studiejaarrekening over de periode september jaar X t/m augustus jaar Y.

Collegegelden
De collegegelden worden toegerekend aan het verslagjaar waarop zij betrekking hebben.

Werk i.o.v. derden
Opbrengsten uit het verlenen van diensten worden verantwoord naar rato van de geleverde prestaties, gebaseerd op de verrichte diensten tot aan de balansdatum in verhouding tot de in totaal te verrichten diensten. Zie tevens de grondslagen met betrekking tot Onderhanden werk.

Overige baten
Overige baten bestaan uit baten uit verhuur, detachering en overige. De baten worden verantwoord als het waarschijnlijk is dat deze worden ontvangen en de instelling de condities voor ontvangst kan aantonen. Indien het resultaat van een bepaalde opdracht tot dienstverlening niet op betrouwbare wijze kan worden bepaald, worden de opbrengsten verwerkt tot het bedrag van de kosten van de dienstverlening die worden gedekt door de opbrengsten.

Exploitatiesubsidies worden als bate verantwoord in de staat van baten en lasten in het jaar waarin de gesubsidieerde kosten zijn gemaakt of opbrengsten zijn gederfd, of wanneer een gesubsidieerd exploitatietekort zich heeft voorgedaan.

Huuropbrengsten uit vastgoedbeleggingen worden lineair in de staat van baten en lasten opgenomen op basis van de duur van de huurovereenkomst. Vergoedingen ter stimulering van het sluiten van huurovereenkomsten worden als integraal deel van de totale huuropbrengsten verwerkt.

Personeelsbeloningen

Periodiek betaalbare beloningen
Lonen, salarissen en sociale lasten worden op grond van de arbeidsvoorwaarden verwerkt in de staat van baten en lasten verantwoord in de periode waarin de arbeidsprestatie wordt verricht en, voor zover nog niet uitbetaald, als verplichting op de balans opgenomen. Als de reeds betaalde bedragen de verschuldigde beloningen overtreffen, wordt het meerdere opgenomen als een overlopend actief voor zover er sprake zal zijn van terugbetaling door het personeel of van verrekening met toekomstige betalingen door de stichting.

Voor de beloningen met opbouw van rechten (bijvoorbeeld sabbatical leave) worden de verwachte lasten gedurende het dienstverband in aanmerking genomen. Een verwachte vergoeding wordt verantwoord indien de verplichting tot betaling van die vergoeding is ontstaan op of vóór balansdatum en een betrouwbare schatting van de verplichtingen kan worden gemaakt. Ontvangen bijdragen voortvloeiend uit levensloopregelingen worden in aanmerking genomen in de periode waarover deze bijdragen zijn verschuldigd. Toevoegingen aan en vrijval van verplichtingen worden ten laste respectievelijk ten gunste van de winst-en-verliesrekening gebracht.

Indien een beloning wordt betaald, waarbij geen rechten worden opgebouwd (bijvoorbeeld doorbetaling in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid) worden de verwachte lasten verantwoord in de periode waarover deze beloning is verschuldigd. Voor op balansdatum bestaande verplichtingen tot het in de toekomst doorbetalen van beloningen (inclusief ontslag aan personeelsleden die op balansdatum naar verwachting blijvend geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om werkzaamheden te verrichten door ziekte of arbeidsongeschiktheid) wordt een voorziening opgenomen.

De verantwoorde verplichting betreft de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de desbetreffende verplichting op balansdatum af te wikkelen. De beste schatting is gebaseerd op contractuele afspraken met personeelsleden (CAO en individuele arbeidsovereenkomsten). Toevoegingen aan en vrijval van verplichtingen worden ten laste respectievelijk ten gunste van de winst-en-verliesrekening gebracht.

Ontslagvergoedingen
Ontslagvergoedingen zijn vergoedingen die worden toegekend in ruil voor de beëindiging van het dienstverband. Een uitkering als gevolg van ontslag wordt als verplichting en als last verwerkt als de onderneming zich aantoonbaar onvoorwaardelijk heeft verbonden tot betaling van een ontslagvergoeding.  Ontslagvergoedingen worden gewaardeerd op basis van de beste schatting van de bedragen welke  noodzakelijk zijn om de verplichting af te wikkelen.

Pensioenen
Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan de pensioenuitvoerder verschuldigde pensioenpremies. Voor zover de verschuldigde premies op balansdatum nog niet zijn voldaan, wordt hiervoor een verplichting opgenomen.
Indien op basis van de uitvoeringsovereenkomst met betrekking tot een pensioenregeling per balansdatum een verplichting bestaat, wordt een voorziening gevormd als het waarschijnlijk is dat de aanwending van een maatregelenpakket, dat nodig is voor het herstel van de per balansdatum bestaande dekkingsgraad, zal leiden tot een uitstroom van middelen en de omvang daarvan betrouwbaar kan worden geschat.

Verder wordt op balansdatum een voorziening opgenomen voor bestaande additionele verplichtingen ten opzichte van het fonds en de werknemers, indien het waarschijnlijk is dat voor de afwikkeling van die verplichtingen een uitstroom van middelen zal plaatsvinden en de omvang van de verplichtingen betrouwbaar kan worden geschat. Het al dan niet bestaan van additionele verplichtingen wordt beoordeeld aan de hand van de uitvoeringsovereenkomst met het fonds, de pensioenovereenkomst met de werknemers en andere (expliciete of impliciete) toezeggingen aan de werknemers. De voorziening wordt gewaardeerd tegen de beste schatting van de contante waarde van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen op balansdatum af te wikkelen.

Financiële baten en lasten

Rentebaten worden verantwoord in de periode waartoe zij behoren, rekening houdend met de effectieve rentevoet van de desbetreffende actiefpost. Rentelasten en soortgelijke lasten worden verantwoord in de periode waartoe zij behoren.

Toelichting op de balans

1. Activa

Vaste activa

1.1 Immateriële vaste activa
De mutaties in de immateriële vaste activa worden als volgt weergegeven:

(bedragen x € 1.000,-)

 
Totaal IMVA
1.1.1
Ontwikkeling en software
Stand per 31-12-17    
Verkrijgingen 7.344 7.344
Afschrijvingen 3.182 3.182
Boekwaarde 4.162 4.162
     
Mutaties 2018    
Investeringen 107 107
Desinvesteringen 2.101 2.101
In uitvoering 0 0
Afschrijvingen 1.271 1.271
Afschr desinvesteringen 2.063 2.063
  ‑1.201 ‑1.201
     
Stand per 31-12-18    
Verkrijgingen 5.350 5.350
Afschrijvingen 2.390 2.390
Boekwaarde 2.960 2.960

Toelichting:
De immateriële vaste activa heeft betrekking op diverse softwaresystemen (waaronder Osiris, AX, PowerBI, VMware, P2P) en ontwikkeling van de website Hanze.nl en de Nieuwe Leer-Werkplek.

1.2 Materiële vaste activa
De mutaties in de materiële vaste activa worden als volgt weergegeven:

(bedragen x € 1.000,-)

  Totaal MVA 1.2.1.1
Gebouwen
1.2.1.2
Terreinen
1.2.2.1
Inventaris
1.2.2.2
Apparatuur
1.2.3
Vervoer-
middelen
1.2.4
MVA in
uitvoering
Stand per 31-12-17              
Verkrijgingen 346.802 220.425 18.295 31.279 68.272 316 8.214
Afschrijvingen 218.287 137.733 3.283 24.116 52.948 208 0
Boekwaarde 128.515 82.692 15.013 7.164 15.325 108 8.214
               
Mutaties 2018              
Investeringen 23.070 13.294 2.642 2.173 4.921 39 0
Desinvesteringen 68.646 28.109 236 10.679 29.546 75 0
In uitvoering 663 0 0 0 0 0 663
Afschrijvingen 16.431 8.783 396 1.614 5.608 30 0
Afschr desinvesteringen 66.912 26.553 86 10.679 29.526 69 0
  4.905 2.954 2.095 559 ‑707 4 663
               
Stand per 31-12-18              
Verkrijgingen 301.373 205.906 20.701 22.774 43.647 280 8.876
Afschrijvingen 169.781 119.963 3.593 15.051 29.030 169 0
Boekwaarde 134.082 85.646 17.108 7.723 14.618 111 8.876

Toelichting:
Door de Hanzehogeschool wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er aanwijzingen zijn dat een vast actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief vastgesteld. Een bijzonder-waardeverminderingsverlies wordt direct als last verwerkt in de staat van baten en lasten onder gelijktijdige verlaging van de boekwaarde van het betreffende actief. Over het verslagjaar is bijzondere waardevermindering niet van toepassing.

De investeringen in gebouwen en terreinen hebben over het boekjaar met name betrekking op de realisatie van de nieuw- en verbouw van het Wiebengacomplex (m€ 7,8), het Prins Claus Conservatorium (m€ 1,1), de  aankoop van het pand aan de Zernikelaan 10 (m€ 2,6), de aankoop van een terrein aan de Pondematen (m€ 1,7), tijdelijke huisvesting tbv het project Zp7 (m€ 0,7) en voor het overige diverse investeringen ihkv onderhoud en duurzaamheid.
Investeringen in apparatuur hebben voornamelijk betrekking op computerapparatuur ICT en infrastructuur ICT.

De desinvesteringen hebben grotendeels betrekking op de sloop van bouwdeel A Zernikeplein 7 (m€ 1,5) ihkv het project Zp7 en de verkoop van het pand aan de Radesingel (m€ 0,2).  Eind 2018 heeft een administratieve opschoonaktie in de activaregisters plaatsgevonden. Hierdoor is bij de verschillende activagroepen een aanschafwaarde van in totaal ca m€ 43 afgeboekt, welke reeds volledig was afgeschreven.

Voor de toekomstige kosten van groot onderhoud aan de bedrijfsgebouwen is geen voorziening voor groot onderhoud gevormd. De kosten van groot onderhoud worden conform de componentenmethode geactiveerd onder de materiele vaste activa.

Het saldo op 'MVA in uitvoering' heeft betrekking op lopende investeringsprojecten en omvat met name nieuwbouw Zernikeplein 7.

De panden aan het Zernikeplein (hoofdgebouw met Van Olsttoren, Van Doorenveste,  Willem-Alexander Sportcentrum, Marie Kamphuisborg) en aan de Petrus Driessenstraat (Wiebengacomplex) zijn hypothecair bezwaard. Het recht op eerste hypotheek is verleend aan de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën).

1.3 Financielë vaste activa
De mutaties in de financiële vaste activa worden als volgt weergegeven:

(bedragen x € 1.000,-)

    Boekwaarde
31-12-17
Investeringen
en verstrekte
leningen
Desinvest.
en afgeloste
leningen
Vorderingen
kortlopend
Boekwaarde
31-12-18
             
1.3.1 Overige leningen u/g          
  Unica Installatiegroep BV 338 0 57 0 281
             
  TOTAAL FINANCIËLE VASTE ACTIVA 338 0 57 0 281

Toelichting:
In verband met de investering in energievoorzieningen (warmte-koude-opslag) voor het Economiegebouw is in 2006 een geldlening verstrekt aan Unica ten bedrage van K€ 354. Aanvullend op deze overeenkomst is eind 2007 voor het Willem-Alexander Sportcentrum (Zernikeplein 17) een lening aan Unica van K€ 564 verstrekt. De investering heeft een educatief karakter. Aflossingen vinden plaats overeenkomstig maandelijkse termijnen per locatie, op jaarbasis een aflossing van K€ 57. Er wordt geen rente in rekening gebracht.

Vlottende Activa

1.4 Voorraden

(bedragen x € 1.000,-)

    31-12-18 31-12-17
1.4.1 Gebruiksgoederen    
  Magazijngoederen/kantoorbenodigdheden 427 387
       
  TOTAAL VOORRADEN 427 387

Toelichting:
Onder de voorraden zijn tevens opgenomen de geregistreerde verbruiksmiddelen chemicaliën.

1.5 Vorderingen

(bedragen x € 1.000,-)

    31-12-18 31-12-17
       
1.5.1 Debiteuren 1.113 1.744
1.5.2 Studenten 331 452
1.5.3 Overige vorderingen 1.588 5.836
1.5.4 Overlopende activa 2.227 1.170
       
  TOTAAL VORDERINGEN 5.259 9.202

Toelichting:
In de vorderingen op debiteuren en studenten zijn voorzieningen voor oninbaarheid opgenomen van respectievelijk K€ 27 en K€ 214 (ultimo 2017 respectievelijk K€ 126 en K€ 203). Deze bedragen hebben betrekking op vorderingen met een looptijd langer dan 1 jaar.
Onder de overige vorderingen per 31-12-2017 is een vordering opgenomen op de NAM ter hoogte van M€ 2,7. Deze vordering is overeengekomen met de NAM en heeft betrekking op vergoeding van kosten gemaakt ten behoeve het aardbevingbestendig maken van nieuwbouwplannen, afwikkeling heeft plaatsgevonden in 2018.
De saldi vermeld onder de overlopende activa hebben met name betrekking op transitorische posten, kosten betaald in het huidige boekjaar en betrekking hebbend op het komende boekjaar.

1.6 Liquide middelen

(bedragen x € 1.000,-)

    31-12-18 31-12-17
       
1.6.1 Banken 51.834 36.407
1.6.2 Kasmiddelen 22 17
       
  TOTAAL LIQUIDE MIDDELEN 51.855 36.424

Toelichting:
Een nadere toelichting op de mutaties binnen de Liquide middelen is te vinden in het kasstroomoverzicht. De liquide middelen staan ter vrije beschikking van de rechtspersoon.

2. Passiva

2.1 Eigen vermogen

2.1.1 Voorstel resultaatbestemming
Het resultaat van de Hanzehogeschool Groningen over het jaar 2018 bedraagt  K€ 1.757. Voorgesteld wordt om het resultaat als volgt te verdelen:

(bedragen x € 1.000,-)

Dotatie algemene reserve (publiek) 3.213
Dotatie algemene reserve (privaat) 114
Onttrekking bestemmingsreserve (huisvesting) ‑620
Onttrekking bestemmingsreserve (interne projecten) ‑950
   
RESULTAAT 1.757

2.1.2. Verloopoverzicht

(bedragen x € 1.000,-)

  Saldo
31-12-17
Bestemming
resultaat
Overige
mutaties
Saldo
31-12-18
         
Algemene reserve (publiek) 58.761 3.213 0 61.974
Algemene reserve (privaat) 4.360 114 0 4.474
Subtotaal algemene reserve 63.121 3.327 0 66.448
         
Bestemmingsreserves (publiek)        
Reserve huisvestingsbeleid 1.653 ‑620 0 1.033
Projecten 950 ‑950 0 0
Subtotaal bestemmingsreserves (publiek) 2.603 ‑1.570 0 1.033
         
TOTAAL EIGEN VERMOGEN 65.724 1.757 0 67.481

Toelichting:
De algemene reserve privaat heeft betrekking op de cumulatieve resultaten op contractactiviteiten van de Stichting Hanzehogeschool waarbij private middelen zijn betrokken.

Bestemmingsreserve huisvestingsbeleid: In 2013 is een bedrag van M€ 3,1 onttrokken aan de Algemene reserve en toegevoegd aan deze bestemmingsreserve. Deze heeft betrekking op het uit te voeren nieuwbouwprogramma over de jaren 2015-2020. Jaarlijks wordt naar rato van de voortgang van het programma een deel van de bestemmingsreserve afgebouwd.

2.2 Voorzieningen

(bedragen x € 1.000,-)

        Mutaties    
    Saldo
31-12-17
Dotaties
2018
Ont-
trekkingen
2018
Vrijval
2018
Saldo
31-12-18
2.2.1 Personeelsvoorzieningen          
  Wachtgelden bovenwettelijk 1.149 294 250 0 1.193
  Wachtgelden wettelijk 795 693 819 0 669
  Voorziening jubilea 697 208 148 0 758
  Voorziening WGA-WIA 219 254 226 0 247
  Voorziening DI-WS 2.839 2.372 277 0 4.934
             
  TOTAAL PERSONEELSVOORZIENINGEN 5.699 3.821 1.720 0 7.800

    Kortlopend
deel <1 jaar
Langlopend
deel >1 jaar
Saldo
31-12-18
2.2.1 Personeelsvoorzieningen      
  Wachtgelden bovenwettelijk 182 1.011 1.193
  Wachtgelden wettelijk 42 627 669
  Voorziening jubilea 87 671 758
  Voorziening WGA-WIA 222 25 247
  Voorziening DI-WS 987 3.947 4.934
         
  TOTAAL PERSONEELSVOORZIENINGEN 1.519 6.281 7.800

Toelichting:
De voorzieningen Wachtgelden wettelijk en bovenwettelijk alsmede WGA-WIA zijn opgenomen conform opgaaf van uitvoerders. Daar waar individuele onttrekkingen aan voorzieningen niet specificeerbaar zijn, is het saldo van dotaties en onttrekkingen vermeld onder Dotaties.

2.3 Langlopende schulden

(bedragen x € 1.000,-)

    Stand
31-12-17
Aangegane
leningen o/g
Aflossingen
2018
Schulden
kt 2018
Stand
31-12-18
2.3.1 Kredietinstellingen (bouwleningen)          
  Lening 1 ministerie van Financiën 13.000 0 0 0 13.000
  Lening 2 ministerie van Financiën 10.000 0 0 0 10.000
  Lening 3 ministerie van Financiën 25.000 7.000 0 0 32.000
             
  TOTAAL LANGLOPENDE SCHULDEN 48.000 7.000 0 0 55.000

    Stand
31-12-18
Looptijd
> 1 jaar
Looptijd
> 5 jaar
Rentevoet
  Kredietinstellingen (bouwleningen)        
  Lening 1 ministerie van Financiën 13.000 13.000 13.000 4,05%
  Lening 2 ministerie van Financiën 10.000 10.000 0 4,01%
  Lening 3 ministerie van Financiën 32.000 32.000 20.400 0,68%
           
  TOTAAL LANGLOPENDE SCHULDEN 55.000 55.000 33.400  

Toelichting:
In april 2005 zijn nieuwe leningen aangegaan bij het ministerie van Financiën. Zekerheden zijn verstrekt in de vorm van een eerste hypotheekrecht op enkele panden. Ook is vanaf 2005 een start gemaakt met het 'schatkistbankieren' waarbij er een rekening courant verhouding is tussen de Hanzehogeschool Groningen en het ministerie. Dagelijks worden de saldi van de bankrekeningen vereffend. Looptijd lening 1 is tot 2025, looptijd lening 2 is 2020.

In november 2017 is een derde lening aangevraagd en verstrekt door het ministerie van Financiën. De hoofdsom van deze lening bedraagt M€ 43,5 en kent een looptijd tot december 2034. De hoofdsom wordt in drie tranches verstrekt, M€ 25 in december 2017, M€ 7 in december 2018 en M€ 11,5 in december 2019. Aflossing op deze lening zal met ingang van december 2020 jaarlijks plaatsvinden voor een bedrag van M€ 2,9. Middels een hypothecaire akte in december 2017 is een eerste hypotheekrecht verstrekt aan de Staat der Nederlanden, waarin tevens opgenomen het eerder verstrekte recht vanuit 2005.

2.4 Onderhanden werk

(bedragen x € 1.000,-)

    31-12-18 31-12-17
2.4.1 Onderhanden werk i.o.v. derden    
  Projecten en contractonderzoek 7.651 3.889
       
  TOTAAL ONDERHANDEN WERK 7.651 3.889

Toelichting:
Het onderhanden werk i.o.v. derden is per balansdatum gesaldeerd opgenomen en vormt per 31-12-2018 een schuld. De projectopbrengsten worden verantwoord bij ontvangst van de gelden. Middels de onderhanden werk boekingen worden opbrengsten en kosten binnen de projectperiode aan elkaar toegerekend.
Het saldo betreft het onderhanden werk van de onderhanden subsidieprojecten en de onderhanden werk positie contractonderwijs en contractonderzoek.

2.5 Kortlopende schulden

(bedragen x €1.000,-)

    31-12-18   31-12-17  
2.5.1 Crediteuren   3.808   3.773
           
2.5.2 Belastingen en premies sociale verzekeringen        
  Loonheffingen  8.241     7.845   
  Omzetbelasting  93     130   
      8.335   7.975
           
2.5.3 Schulden inzake pensioenen   2.471   2.309
           
2.5.4 Overige kortlopende schulden   4.586   4.185
           
2.5.5 Overlopende passiva        
  Vooruitontvangen collegegelden 23.907   24.900  
  Geoormerkte subsidies OCW 428   187  
  Overige schulden OCW 5   341  
  Vakantiegeld 6.006   5.798  
  Vakantiedagen 5.248   4.640  
  Salarissen 24   97  
  Vooruitontvangen bedragen 2.114   1.509  
      37.732   37.473
           
  TOTAAL KORTLOPENDE SCHULDEN   56.931   55.715

Toelichting:
Onder de Overige kortlopende schulden is een diversiteit aan kosten opgenomen welke betrekking hebben op het afgelopen jaar echter nog niet zijn gefactureerd door de betreffende leveranciers.

Overzicht verbonden partijen
Beslissende zeggenschap (stichting of vereniging)

  Jurdische
vorm
Statutaire
zetel
Code
activiteiten
Eigen
vermogen
31-12-18
Resultaat
2018
Verklaring
art. 2:403
BW
Consolidatie
ja/nee
               
Stichting de Groot Brugmans Stichting Groningen 4 0 0 N N
Stichting Hanze University Foundation Stichting Groningen 4 0 0 N N
               
TOTAAL       0 0    

Als verbonden partij worden aangemerkt alle rechtspersonen waarover overheersende zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis kan worden uitgeoefend. Ook rechtspersonen die overwegende zeggenschap kunnen uitoefenen worden aangemerkt als verbonden partij.

  Juridische vorm Statutaire zetel Code activiteiten
       
Stichting Peter de Grote Festival Stichting Groningen 4
Stichting de Makarov Prelude Stichting Groningen 4
Stichting Haydn Muziek Festival Stichting Groningen 4
Stichting RenQi Stichting Groningen 4
Stichting Cube050 Stichting Groningen 4
Stichting Mariene Wetlands Studies Stichting Groningen 4
Stichting Bedrijvenkring Vastgoed Stichting Groningen 4
Stichting Groningen Confucius Institute Stichting Groningen 4
Stichting New Energy Coalition Stichting Groningen 4
Stichting Building Stichting Groningen 4
Stichting Vita Roden Stichting Groningen 4

Code activiteiten: 1. contractonderwijs, 2. contractonderzoek, 3. onroerende zaken, 4. overige.

Overzicht geoormerkte doelsubsidies OCW (2.4.7)
Model G1 Verantwoording van subsidies zonder verrekeningsclausule

Omschrijving Kenmerk Datum Bedrag
van
toewijzing
Ontvangen
t/m
verslagjaar
Geheel
uitgevoerd
en afgerond
Nog niet
geheel
afgerond
             
HBO Lerarenbeurs 2017/2/53907 20-09-17 271.152 271.152 X  
HBO Lerarenbeurs 2017/2/701543 19-12-17 9.216 9.216 X  
Lerarenbeurs 2018/2/728345 22-01-18 ‑14.909 ‑14.909 X  
Lerarenbeurs 2018/2/942424 20-09-18 151.488 151.488   X
Lerarenbeurs 2018/2/1000748 22-10-18 ‑6.144 ‑6.144   X
Open en Online "Community
of open online course"
1178798 24-04-17 15.025 15.025 X  
             
TOTAAL     425.828 425.828    

Model G2 Verantwoording van subsidies met verrekeningsclausule
G2.B Doorlopend tot in een volgend verslagjaar

Omschrijving Kenmerk Datum Bedrag
van de
toewijzing
Saldo
01-01-18
Ontvangen
in
verslagjaar
Lasten
in
verslagjaar
Totale
kosten
31-12-18
Saldo nog te
besteden
ultimo
verslagjaar
                 
Doorstroom
mbo-hbo
DHBO-
17011
23-10-17 196.726 0 196.726 80.424 80.424 116.302
Doorstroom
mbo-hbo
DHBO-
18013
15-03-18 199.223 0 199.223 34.572 34.572 164.651
Doorstroom
mbo-hbo
DHBO-
19005
30-10-18 199.830 0 49.958 0 0 199.830
                 
TOTAAL     595.779 0 445.907 114.996 114.996 480.783

Kengetallen

  31-12-18 31-12-17
     
Solvabiliteit 1 0,35 0,37
Solvabiliteit 2 0,39 0,40
Liquiditeit 0,89 0,77
Liquiditeit (quick ratio) 0,88 0,77
Rentabiliteit (o.b.v. normale bedrijfsvoering) 0,6% ‑1,3%

Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen

Hypotheekverklaring

Met ingang van december 2017 is het recht op eerste hypotheek verleend aan de Staat der Nederlanden voor een aantal panden aan het Zernikeplein (Hoofdgebouw met Van Olsttoren, de Van Doorenveste, het Willem-Alexander Sportcentrum) en aan de Petrus Driessenstraat (het Wiebengacomplex).

Vordering op het ministerie van OCW

In 2001 is de vordering op OCW betreffende IZK, vakantie-uitkering en sociale lasten uit 1986/1987 afgeboekt. Deze vordering (K€ 2.719) blijft echter wel bestaan en zal worden verrekend bij liquidatie van de hogeschool. In december 2005 is een bedrag aan de hogeschool uitgekeerd in verband met het afschaffen van de ZKOO-regeling dat in mindering is gebracht op deze vordering.

Kredietfaciliteiten

De Hanzehogeschool heeft bij het Ministerie van Financiën een rekening-courant faciliteit met een debetlimiet van M€ 10,0. Aan deze rekening-courant zijn een tweetal werkrekeningen gekoppeld die worden aangehouden bij de Rabobank. Van deze werkrekeningen wordt dagelijks het saldo van de debet- en creditmutaties overgeboekt naar de rekening-courant bij het Ministerie.
Ten behoeve van het dagelijks betalingsverkeer wordt een intradag debetfaciliteit beschikbaar gesteld door de Rabobank welke wordt gegarandeerd door de Staat der Nederlanden, in totaal groot M€ 15,1.

Garantstellingen

Op het voormalig Suikerunieterrein in Groningen is door een derde partij in 2018 tijdelijke huisvesting gerealiseerd ten behoeve van primair internationale studenten. Om de investering en exploitatie te garanderen, is door de Hanzehogeschool Groningen en de Rijksuniversiteit Groningen een gezamenlijke garantstelling afgegeven ter dekking van een gegarandeerde huuropbrengst. De garantie is groot in totaal M€ 1,0 per jaar. De verdeling tussen de Hanzehogeschool en Rijksuniversiteit zal jaarlijks op basis van weging van daadwerkelijke studentenaantallen worden vastgesteld. Looptijd van de garantstelling is 10 jaar.

Langlopende contracten

De Hanzehogeschool heeft meerdere contracten afgesloten, waarin langlopende verplichtingen zijn aangegaan. Deze verplichtingen zijn niet op de balans opgenomen. Voor de huur van diverse panden en locaties bestaat over 2019 een verplichting van M€ 3,3. Over de jaren 2020-2023 bedraagt deze verplichting in totaal M€ 4,4, na 2023 resteert een verplichting van M€ 0,5 per jaar (tot 2028). Voor het in 2018 gestarte bouwproject Zernikeplein 7 volgt uit de aanbesteding in juni 2018 een additionele verplichting van M€ 48 over de jaren 2018-2022. Onderdeel van het bouwproject is het aardbevingbestendig maken van bestaande bouw en nieuwbouw. Hiervoor worden ter financiering deels middelen van de NAM (zie claim NAM) ingezet en deels aanvullende financiering van het Ministerie van Financiën. De resterende verplichting van dit contract per 31-12-2018 bedraagt over 2019 M€ 16,1 en over de jaren 2020 t/m 2023 nog M€ 12,7.

Claim NAM

In december 2017 heeft de Hanzehogeschool een overeenkomst gesloten met de NAM. Deze overeenkomst heeft betrekking op de voorgenomen bouwplannen van de Hanzehogeschool op het Zernikeplein en betreft een vergoeding voor reeds gemaakte kosten gerelateerd aan het aardbevingbestendig maken van de plannen en een compensatie van de meerkosten van de bouw. De overeenkomst voorziet in meerdere momenten van concretisering van de vergoedingen. De eerste twee delen gerelateerd aan het sluiten van de overeenkomst en het daadwerkelijk starten van de bouw (M€ 4,4 respectievelijk M€ 2,7) zijn in 2018 afgewikkeld.
Eind 2018 zijn nieuwe (verlaagde) waarden opgenomen in het zogenaamde seismisch model (NPR 2018). Dit heeft te maken met het voornemen de onttrekking van gas uit de bodem af te bouwen. Deze herziening heeft mogelijk ook betrekking op de bouwplannen voor het project ZP7, met het scenario dat er geen seismische maatregelen noodzakelijk zijn voor de resterende bouwfasen. In maart 2019 is de Hanzehogeschool een onderzoek gestart gericht op vraagstukken die zowel bouwkundig als juridisch van aard zijn. Hierin begrepen is onder andere afstemming met de NAM over de huidige overeenkomst. Ten tijde van opstelling van deze jaarrekening zijn de uitkomsten van dit onderzoek nog niet bekend.

Overige verplichtingen en claims

In ieder verslagjaar lopen verschillende juridische procedures. Deze zijn te onderscheiden naar beroepen die zijn ingesteld door studenten of personeelsleden, vorderingen van derden, en eventuele procedures tegen of vanwege bestuursorganen waaronder het ministerie van OCW.

Bij de procedures van de Hanzehogeschool Groningen tegen personeelsleden kan het voorkomen dat, hetzij in het kader van een minnelijke schikking, hetzij op basis van de uitspraak van de kantonrechter, een vergoeding wordt toegekend. In het afgelopen boekjaar heeft de Hanzehogeschool Groningen geen uitzonderlijke claims opgelopen.

In het afgelopen verslagjaar zijn ook voor het overige geen geschillen met derden gerezen die naar huidig inzicht zullen resulteren in vorderingen tot schadevergoeding waaruit substantiële financiële aanspraken zullen voortvloeien.

Toelichting op de staat van baten en lasten

3. Baten

3.1 Rijksbijdragen OCW

(bedragen x €1.000.-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
3.1.1 (Normatieve) rijksbijdrage OCW (HBO) 194.756 184.208 178.281
3.1.2 Overige subsidies OCW      
  Geoormerkte subsidies 338 2.175 451
         
  TOTAAL RIJKSBIJDRAGEN OCW 195.095 186.383 178.733

Toelichting:
De hoogte van de rijksbijdrage sluit aan en is gebaseerd op de betreffende rijksbijdragebrieven.

3.2 Collegegelden

(bedragen € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
3.2.1 Collegegelden (bekostigde studenten) 60.127 61.245 58.925
3.2.2 Collegegelden ( niet bekostigde studenten) 1.079 0 768
3.2.3 Restitutie collegegelden ‑5.096 ‑3.496 ‑3.981
         
  TOTAAL COLLEGEGELDEN 56.111 57.749 55.712

3.3 Baten werk in opdracht van derden

(bedragen x € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
3.3.1 Opbrengst werk i.o.v. derden      
3.3.1.1 Contractonderwijs, CA / P-HBO cursussen 4.812 3.366 3.585
3.3.1.2 Contractonderzoek, Overige contractactiviteiten 389 188 1.029
  Totaal opbrengst werk i.o.v. derden 5.201 3.554 4.614
         
3.3.2 Mutaties onderhanden werk i.o.v. derden ‑92 0 349
         
  TOTAAL BATEN WERK I.O.V. DERDEN 5.109 3.554 4.963

Toelichting:
Middels een bepaling van de onderhanden werk positie per balansdatum worden enkel de projecten welke gereed zijn per balansdatum als bate verantwoord. Afhankelijk van de voortgang van de diverse projecten kan de totale bate per balansdatum afwijken ten opzichte van de begroting en voorgaand jaar.

3.4 Overige baten

(bedragen x €1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
3.4.1 Verhuur onroerende zaken 711 1.069 857
3.4.2 Detachering personeel 976 774 1.324
         
3.4.3 Overige baten      
  Subsidies 7.545 6.030 8.379
  Overige bijdragen van studenten 1.578 871 1.954
  Overige 8.833 6.796 6.205
         
  Subtotaal 17.957 13.697 16.538
         
  TOTAAL OVERIGE BATEN 19.644 15.540 18.718

Toelichting:
Onder Subsidies worden alle subsidies verantwoord welke betrekking hebben op gerealiseerde subsidieprojecten. Voor zover subsidieprojecten nog lopend zijn, worden de reeds ontvangen subsidies middels Onderhanden Werk op de balans opgenomen onder de schulden als Vooruitontvangen subsidies. hierdoor kan het vergelijk met de begroting en voorgaand jaar afwijken.

4. Lasten

4.1 Personele lasten

(bedragen x € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
4.1.1 Lonen en salarissen      
4.1.1.1 Brutolonen en salarissen 145.483 145.927 141.612
4.1.1.2 Sociale lasten 17.613 17.667 16.690
4.1.1.3 Pensioenpremies 21.629 21.695 20.271
  Subtotaal lonen en salarissen 184.724 185.288 178.573
         
4.1.2 Overige personele lasten      
4.1.2.1 Dotatie voorziening wachtgeld 994 1.654 294
4.1.2.2 Ingehuurd personeel niet in loondienst 15.097 9.650 15.120
4.1.2.3 Dotatie/vrijval overige personele voorzieningen 2.402 116 1.703
4.1.2.4 Overige 5.994 3.881 4.611
  Subtotaal overige personele lasten 24.487 15.301 21.727
         
4.1.3 Uitkeringen (-/-) ‑845 ‑15 ‑761
         
  TOTAAL PERSONELE LASTEN 208.367 200.574 199.539

Toelichting:
De stijging van de lonen en salarissen is een gevolg van de toename van het gemiddeld aantal medewerkers over 2018 ten opzichte van 2017 met 33 fte en de effecten van cao-aanpassingen. Inhuur is in lijn met voorgaand jaar, echter niet op het niveau van begroting. Dit heeft met name te maken met de wijze van begroten, namelijk op studiejaar in plaats van kalenderjaar.

4.2 Afschrijvingen

(bedragen € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
4.2.1 Ontwikkeling en software 1.271 1.270 1.263
4.2.2 Gebouwen 9.179 9.374 8.374
4.2.3 Inventaris en apparatuur 7.222 7.946 6.946
4.2.4 Overige materiële vaste activa 30 34 35
4.2.5 Boekresultaat desinvestering MVA 1.770 0 118
         
  TOTAAL AFSCHRIJVINGEN 19.472 18.624 16.735

Toelichting:
Onder de Overige materiële vaste activa zijn de afschrijvingen op vervoersmiddelen opgenomen.

4.3 Huisvestigingslasten

(bedragen € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
4.3.1 Huur 3.930 2.948 3.407
4.3.2 Klein onderhoud 2.914 2.727 4.113
4.3.3 Schoonmaakkosten 4.022 3.717 3.840
4.3.4 Heffingen 1.107 990 1.012
4.3.5 Energie en water 2.091 1.975 2.105
4.3.6 Overige 2.166 2.299 1.660
         
  TOTAAL HUISVESTINGSLASTEN 16.229 14.656 16.137

4.4 Overige lasten

(bedragen x € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
4.4.1 Administratie en beheer 13.231 15.832 12.919
4.4.2 Inventaris en apparatuur 8.565 8.804 7.524
4.4.3 Reis- en verblijfkosten 3.042 2.808 3.372
4.4.4 Tegemoetkoming studerenden 4.166 2.661 4.276
         
  TOTAAL OVERIGE LASTEN 29.005 30.105 28.091

Accountantshonoraria 2018 2017
     
Controle van de jaarrekening 116 123
Andere controlewerkzaamheden 0 9
Fiscale advisering 0 0
Andere niet-controlediensten 0 0

Toelichting:
De bovenstaande accountantshonoraria zijn ten laste gebracht van het resultaat en betreffen uitsluitend de werkzaamheden uitgevoerd door accountantsorganisaties en externe accountants zoals bedoeld in artikel 2:382a lid 1 en 2 BW. 

5. Financiële baten en lasten

(bedragen € 1.000,-)

    2018 Begroting 2018 2017
         
5.1 Rentebaten 8 0 14
5.2 Rentelasten ‑1.135 ‑1.268 ‑979
         
  SALDO FINANCIËLE BATEN EN LASTEN ‑1.128 ‑1.268 ‑965

Toelichting:
De rentelasten hebben met name betrekking op intrest verschuldigd over de langlopende leningen.

Bezoldiging van bestuurders en toezichthouders

Verantwoording uit hoofde van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT)

1. Bezoldiging leden College van Bestuur
Bedragen worden opgenomen conform de WNT (Wet Normering Topinkomens). De bezoldiging bestaat uit de optelling van alle brutolooncomponenten, bruto kostenvergoedingen (niet van toepassing binnen de Hanzehogeschool) en werkgeverslasten pensioenpremies.

Met ingang van 1 januari 2015 is door de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT (WNT2) het algemene wettelijke beloningsmaximum verlaagd van € 230.474 naar € 178.000 (inclusief belaste kostenvergoedingen en pensioenbijdrage werkgevers). Dit maximum is gebaseerd op 100% van het ministersalaris. Over 2018 is voor de sector hbo het algemene wettelijke maximum van € 189.000 vastgesteld, toegepast naar rato van de omvang en de duur van het dienstverband.

Voor de sector onderwijs is een klasse-indeling van toepassing. Aan drie criteria zijn zogenaamde complexiteitspunten toegewezen. Het totaal aantal complexiteitspunten voor een onderwijsinstelling bepaalt de klasse (A t/m G) en het hieraan gekoppelde wettelijke maximum. Voor de Stichting Hanzehogeschool Groningen zijn de complexiteitspunten (Totale baten:5, Aantal studenten:5, Aantal onderwijssoorten:10) maximaal er daarmee vallend in de klasse G (18-20 pnt). Aan deze klasse is het algemene wettelijke maximum gekoppeld.

Leidinggevende topfunctionarissen

Gegevens 2018 H.J. Pijlman R. Verhofstad P. van der Wijk
       
Functie voorz. CvB lid CvB lid CvB
Duur dienstverband in 2018 1/1 - 31/12 1/1 - 31/12 1/1 - 31/12
Omvang dienstverband (fte) 1,0 1,0 1,0
Dienstbetrekking? Ja Ja Ja
       
Individueel WNT-maximum  189.000   189.000   189.000 
       
Bezoldiging      
Beloning 172.087 169.681 169.668
Belastbare onkostenvergoedingen
Beloningen betaalbaar op termijn  19.503   19.238   19.238 
       
TOTAAL BEZOLDIGING  191.590   188.919   188.906 
Motivering indien overschrijding: zie 1)    

Gegevens 2017 H.J. Pijlman R. Verhofstad P. van der Wijk
       
Functie voorz. CvB lid CvB lid CvB
Duur dienstverband in 2017 1/1 - 31/12 1/1 - 31/12 1/1 - 31/12
Omvang dienstverband (fte) 1,0 1,0 1,0
Dienstbetrekking? Ja Ja Ja
       
Individueel WNT-maximum  181.000   181.000   181.000 
       
Bezoldiging      
Beloning  172.055   162.744   162.827 
Belastbare onkostenvergoedingen
Beloningen betaalbaar op termijn  18.370   18.126   18.156 
       
TOTAAL BEZOLDIGING  190.425   180.870   180.983 

Motivering bij overschrijding:
1) Het voltallig College van Bestuur heeft zich in 2013 gecommitteerd aan de middels de WNT en Bezoldigingscode Hogescholen, vastgestelde maxima voor de bezoldiging. Deze maxima waren gebaseerd op rolverdeling binnen het College van Bestuur, namelijk een maximum voor de voorzitter en een maximum voor de leden.
Met de aanname van de WNT-2 per januari 2015 en de hiermee gepaard gaande verdere verlaging van de maximale norm, met name die van de voorzitter, heeft de heer Pijlman te kennen gegeven gebruik te willen maken van het overgangsrecht en zijn bezolding zoals voor 2014 verlaagd is vastgesteld voor 2015 t/m 2018 ongewijzigd te continueren.
Het overgangsrecht van de heer Pijlman eindigt met ingang van 2019. Met de inmiddels vastgestelde WNT-norm over 2019 (€ 194.000) zal de heer Pijlman per 2019 voldoen aan de WNT en zal er geen sprake zijn van toepassing van het overgangsrecht.

2. Vergoeding leden Raad van Toezicht
De vergoedingen aan leden van de Raad van Toezicht worden jaarlijks in december uitgekeerd en hebben betrekking op het afgelopen kalenderjaar. De leden van de RvT krijgen over 2018 een vergoeding toegekend van € 11.675, aan de voorzitter wordt € 16.400 toegekend. Bij zitting in de auditcommissie, de remuneratiecommissie of de commissie O&O wordt een toeslag van € 2.500 toegekend.

Alle genoemde vergoedingen betreffen bruto bedragen. Indien van toepassing is loonheffing ingehouden of is er BTW in rekening gebracht.

Als gevolg van de invoering van de Wet Normering topinkomens (WNT) is ook voor de Raad van Toezicht een maximum bezoldiging van toepassing. Dit maximum is voor zowel 2017 als 2018 bepaald op 15% van het sectorale WNT-maximum voor de voorzitter van de Raad van Toezicht en 10% voor de leden van de Raad van Toezicht.

Toezichthoudende topfunctionarissen

Gegevens 2018 K.F.
Schuiling
J.J.
Fennema
D.
Boonstra
R.
Bakker
A.A.
Rietveld
N.
Hiddema
S.G.L.
Schruijer
Functie voorz. RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT
               
Duur dienstverband in 2018 1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
               
Individueel WNT-maximum  28.350   18.900   18.900   18.900   18.900   18.900   18.900 
               
Bezoldiging              
Beloning  18.900   14.175   11.675   14.175   14.175   14.175   14.175 
Belastbare onkostenverg.
Beloningen op termijn
               
TOTAAL BEZOLDIGING  18.900   14.175   11.675   14.175   14.175   14.175   14.175 

Gegevens 2017 K.F.
Schuiling
*
J.J.
Fennema
D.
Boonstra
*
H.
van der
Burg
R.
Bakker
A.A.
Rietveld
N.
Hiddema
S.G.L.
Schruijer
Functie voorz. RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT lid RvT
                 
Duur dienstverband in 2017 1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
1/1 -
31/12
                 
Individueel WNT-maximum  27.150   18.100   18.100   18.100   18.100   18.100   18.100   18.100 
                 
Bezoldiging                
Beloning  18.100   11.075   11.075   13.575   13.575   13.575   13.575   13.575 
Belastbare onkostenverg.
Beloningen op termijn
                 
TOTAAL BEZOLDIGING  18.100   11.075   11.075   13.575   13.575   13.575   13.575   13.575 

* Deze leden zien voor de genoemde periode af van de bezoldiging als lid van de RvT. De vergoedingen van deze leden worden gedoneerd aan een door de Hanzehogeschool toe te wijzen goed doel.

3. Overige rapportageverplichtingen op grond van de WNT
Naast de vermelde topfunctionarissen zijn er geen overige functionarissen die in 2018 een bezoldiging boven het individuele WNT-maximum hebben ontvangen. Er zijn in 2018 geen ontslaguitkeringen betaald aan overige functionarissen die op grond van de WNT dienen te worden vermeld, of die in eerdere jaren op grond van de WOPT of de WNT vermeld zijn of hadden moeten worden.
 

Groningen, 13 mei 2019

Henk Pijlman, voorzitter
Rob Verhofstad, collegelid
Paul van der Wijk, collegelid
Patrick Tuil, directeur stafbureau FEZ