Bijlagen - Bedrijfsvoering

Verantwoording uitgaven professionalisering

In 2018 hebben we een bedrag van ruim 10 miljoen euro besteed aan professionalisering, ruim meer dan het verplichte budget van 8,6 miljoen euro. De helft van het verplichte budget dient te worden besteed aan het basisrecht in uren. De andere helft is beschikbaar voor out-of-pocketkosten.

Het verplichte budget betreft 6 procent van het getotaliseerd inkomen (de som van de jaarinkomens van alle werknemers van de hogeschool). Het jaarinkomen is het twaalfvoud van het maandsalaris, vermeerderd met de vakantie-uitkering, de structurele eindejaarsuitkering en toelagen waarop een werknemer op grond van de cao-HBO aanspraak heeft. Het gaat hierbij uitsluitend om het jaarinkomen van degenen die onder de werkingssfeer van de cao-HBO vallen. Het getotaliseerd jaarinkomen voor de Hanzehogeschool Groningen bedroeg in 2018 € 143.408.327. De minimale besteding aan professionalisering in het jaar 2018 komt daarmee op € 8.604.500.

De tabel hieronder toont het verplichte minimale budget en onze feitelijke uitgaven aan professionalisering in 2018.

Onderdelen professionalisering Kosten
   
Basisrecht € 5.252.590
Aanvullende scholing € 1.347.511
Totaal uitgegeven aan basisrecht plus aanvullende scholing € 6.600.101
   
Volgens cao minimaal te besteden: 3% van het getotaliseerd jaarinkomen € 4.302.250
Overbesteding basisrecht plus aanvullende scholing € 2.297.851
   
Totaal uitgegeven aan out-of-pocketkosten professionalisering € 3.422.183
Volgens cao minimaal te besteden: 3% van het getotaliseerd jaarinkomen € 4.302.250
Onderbesteding out-of-pocketkosten professionalisering € 880.067
   
Totale minimale verplichting professionalisering: 6% van het getotaliseerd jaarinkomen € 8.604.500
   
  (totaal basisrecht + aanvullende + out of pocket)
Totale uitgaven professionalisering € 10.022.284
Totaal overbesteding professionalisering € 1.417.784

Tabel 1: Overzicht budget en uitgaven professionalisering 2018

De besteding van het budget is onderscheiden naar:

  • Basisrecht
  • Aanvullende scholing
  • Out-of-pocketkosten: collegegeld, studiemateriaal, reis-en verblijfkosten

De verschillende posten worden hieronder toegelicht.

Basisrecht

Het basisrecht is een recht op een aantal uren scholing waarvoor de medewerker wordt vrijgesteld in de jaartaak. In artikel O-3 van de cao-HBO is de omvang van het professionaliseringsbasisrecht bepaald. We gaan ervan uit dat iedere werknemer zijn basisrecht uitput. Per 1 april 2018 geldt de nieuwe cao-hno 2018-2020. De regelingen met betrekking tot het basisrecht zijn ongewijzigd gebleven.

Al onze medewerkers samen hebben een totaal aantal van 118.810 uren basisrecht op scholing. Vermenigvuldigd met de gemiddelde salarislast van € 44,21 per uur, komt dit neer op een uitgave van € 5.252.590. Tabel 2 geeft inzicht in de uitputting van het basisrecht, onderscheiden naar omvang van de betrekking.

Betrekkingsomvang (in fte) < 0,1   0,1 – 0,2   0,2 – 0,3   0,3 -0,4   > 0,4   Totaal
                       
Aantal medewerkers 132   202   150   77   2.787   3.348
                       
Omvang basisrecht per medewerker
in uren
geen   10   20   30   40    
                       
Uren basisrecht totaal 0   2.020   3.000   2.310   111.480   118.810

Tabel 2: Uitputting van het basisrecht in 2018, naar omvang van de betrekking.

In 2018 hebben we te maken gehad met twee cao’s. De nieuwe cao-hbo 2018-2020 kent enkele wijzigingen ten opzichte van de oude met betrekking tot facilitering van professionalisering.

In de oude cao staan afspraken over aanvullende professionalisering. De voorwaarde is dat er schriftelijke afspraken worden gemaakt tussen leidinggevende en werknemer. Aanvullende scholing is er in twee categorieën, te weten:

  1. Aanvullende scholing 75 procent;
  2. Aanvullende scholing 25 procent.

Opleidingen die deel uitmaken van het professionaliseringsplan, worden voor 75 procent van de officiële studielast gefaciliteerd door de werkgever. Onder deze ‘aanvullende scholing’ vallen onder meer:

  • Opleidingen gericht op de didactische bekwaamheid van docenten (BDB);
  • Mastertrajecten;
  • Professionalisering gericht op ondersteunende processen, ondernemerschap, internationalisering;
  • Trajecten voor leiderschapsontwikkeling en teamontwikkeling;
  • Promotietrajecten.

Als een medewerker een opleiding wil volgen die uitgaat boven zijn basisrecht en geen onderdeel uitmaakt van het professionaliseringsplan, kan die opleiding voor 25 procent van de officiële studielast worden gefaciliteerd.

In de nieuwe cao (artikel O-4) staat dat alle vormen van professionalisering die in het professionaliseringsplan zijn opgenomen, voor 100 procent van de officiële studielast worden vergoed in tijd en geld. Opleidingen die geen onderdeel uitmaken van het professionaliseringsplan worden voor 25 procent in tijd van de officiële studielast gefaciliteerd door de werkgever.

In tabel 3 is te zien hoeveel uren de medewerkers aan deze scholingen hebben besteed en wat de daarmee gemoeide salarislasten zijn. Deze salarislasten worden voor 75 procent ten laste gebracht aan het professionaliseringsbudget.

  Totaal uren Gemiddelde salarislast Totale kosten
       
Masters 10.326 € 44,21 € 456.512
PDB/BDB 20.800 € 44,21 € 919.568
Klaar voor de Start 186 € 44,21 € 8.223
Adviesvaardigheden 208 € 44,21 € 9.196
Lesgeven in Honoursprogramma’s 1120 € 44,21 € 49.515
Leidinggeven 70 € 44,21 € 3.095
Totaal     € 1.446.109
1-1-2018 t/m 31-3-2018 75%     € 295.795
1-4-2018 t/m 31-12-2018 100%     € 1.051.716
Totaal aanvullende scholing 2018     € 1.347.511

Tabel 3: Aanvullende scholing in 2018

Out-of-pocketkosten

We hebben in 2018 een bedrag van 3,4 miljoen euro besteed aan out-of-pocketkosten voor professionalisering (zie tabel 4). Dit is € 880.000 minder dan het minimale budget voor deze post van 4,3 miljoen euro voor 2018. Dit heeft voor een belangrijk deel te maken met de verdubbeling (per 2015) van het subsidiebedrag voor studieverlofuren uit de Lerarenbeurs van DUO. Ook hebben veel docenten gekozen voor een bekostigde masteropleiding. Het subsidiebedrag voor studiekosten uit de Lerarenbeurs van DUO is voor een bekostigde masteropleiding (wettelijk collegegeldbedrag € 2.006) kostendekkend. De docent hoeft dan, mits er geen studievertraging optreedt, voor studiekosten vaak geen beroep te doen op het opleidingsfonds van de Hanzehogeschool.

De uitgaven zijn in tabel 4 bijeengebracht en worden daaronder toegelicht.

Kalenderjaar 2018 Totaal   Professionalisering
Out of pocket uitgaven %
       
Uitgaven scholing     1.961.733
Masterscholing     393.599
Management Development programma 114.254 90% 102.829
Mediatheek 404.548 50% 202.274
Reis- en verblijfkosten 3.046.992 25% 761.748
       
Totaal out of pocket     3.422.183
       
Getotaliseerd jaarinkomen 2018 143.408.327 3% 4.302.250

Tabel 4: Uitgaven out-of-pocketkosten 2018

Scholing

De post scholing betreft alle uitgaven die zijn geboekt onder de activiteitencode **002 (Scholing). Daaraan toegevoegd zijn de uitgaven die betrekking hebben op coaching van medewerkers en teams die ten laste van andere activiteitencodes waren geboekt. Ook zijn hierin opgenomen de kosten van deelname aan congressen die niet onder de noemer scholingskosten waren geboekt, voor zover herkenbaar. Meegeteld zijn verder de lidmaatschapskosten van beroepsverenigingen en uitgaven die betrekking hebben op BHV-scholing.

Masterscholing

Onder masterscholing vallen de out-of-pocketkosten van de masterscholingstrajecten die worden gefinancierd uit ons Opleidingsfonds. Onder dit kopje vallen ook de out-of-pocketkosten van de masterscholingstrajecten van teamleiders.

Management Development-programma

Het stafbureau Human Resources boekt uitgaven voor ontwikkeling van het management. Deze uitgaven bestaan uit scholingskosten van deans en stafdirecteuren en kosten van hogeschoolbrede managementbijeenkomsten. Aangezien ook het College van Bestuur deelnemer is aan dit Management Development programma, worden deze uitgaven hier voor 90 procent meegenomen.

Mediatheek

De schools en stafbureaus boeken de kosten van aanschaf van boeken en abonnementen op tijdschriften. Deze uitgaven tellen voor 50 procent mee in de scholingskosten. De uitgaven die betrekking hebben op de collectievorming van de (centrale) Mediatheek, zijn niet meegenomen in de cijfers.

Reis- en verblijfkosten

Reis- en verblijfkosten worden soms wel, soms niet ten laste van een scholingsactiviteit geboekt. De overige reis- en verblijfkosten hebben soms betrekking op alleen onderwijsactiviteiten, soms ook op professionaliseringsactiviteiten. De reis- en verblijfkosten zijn hier voor 25 procent meegenomen.